Weegwoord
In het stadje Zachtspraak, waar men zorgvuldig sprak om niets te beschadigen, stond op het plein een bord. Het was niet groot, maar het werd goed gelezen:
Hier wordt geluisterd.
Dat stelde gerust. Luisteren klonk als begrip, en begrip als vooruitgang.
Burgemeester Voorzichtig was er tevreden mee. Hij hield van een toon die nergens tegenaan botste. Naast hem stond de heer Weegwoord, een bedachtzame man die zinnen woog voordat hij ze losliet. En iets verderop de juffrouw Herstel, die geloofde dat alles, mits juist benaderd, weer goed kon komen.
“Wij zijn een stad van aandacht,” zei de burgemeester.
“En van nuance,” voegde de heer Weegwoord toe.
“En van correctie,” zei juffrouw Herstel zacht.
Op een middag sprak de heer Oudeveen, een man die al lang in Zachtspraak woonde en zich daar ook naar had geschikt. Hij zei iets op het plein. Niet hard. Niet bedoeld om te schaden. Maar het was niet meer van deze tijd, zo bleek.
Niemand reageerde meteen. Dat was niet de manier in Zachtspraak. Men luisterde eerst. Daarna werd er gefluisterd.
“Het klopt niet meer,” zei iemand.
“Het kan niet zo blijven,” zei een ander.
“Het moet benoemd worden,” zei een derde.
De heer Weegwoord nam het woord.
“Woorden hebben gevolgen,” zei hij. “Ook als ze niet zo bedoeld zijn.”
“Bedoeling is niet doorslaggevend,” zei juffrouw Herstel. “Effect is dat wel.”
De burgemeester knikte. Hij hield van zinnen die als besluiten klonken.
Men besloot tot een gesprek. Dat was gebruikelijk. De heer Oudeveen werd uitgenodigd.
Hij kwam.
|“Ik heb niemand willen kwetsen,” zei hij.
“Maar er is wel gekwetst,” zei juffrouw Herstel.
“Dan spijt mij dat,” zei hij.
“Spijt is een begin,” zei de heer Weegwoord. “Maar geen einde.”
Er werd een verklaring opgesteld. Zorgvuldig geformuleerd. De heer Oudeveen ondertekende die.
Men luisterde.
Maar het gefluister was niet verdwenen.
“Het voelt niet voldoende,” zei iemand.
“Het zegt niets over morgen,” zei een ander.
“Het verleden blijft,” zei een derde.
De burgemeester keek naar het bord op het plein.
Hier wordt geluisterd.
Hij vond dat nog steeds juist. Maar het leek minder afdoende.
De volgende dag werd de naam van de heer Oudeveen van een lijst gehaald. Een kleine lijst, maar zichtbaar.
“Voor rust,” zei men.
De dag daarna werd hij niet meer uitgenodigd bij bijeenkomsten.
“Voor duidelijkheid,” zei men.
Daarna sprak men niet meer over hem.
“Voor vooruitgang,” zei men.
De heer Oudeveen liep nog door de stad. Hij groette. Soms werd er teruggegroet. Vaak niet.
De heer Weegwoord bladerde in zijn notities.
“Het begon met luisteren,” zei hij. “Maar het eindigt met zwijgen.”
“Zwijgen kan ook beschermen,” zei juffrouw Herstel.
“Maar het beschermt niet iedereen,” zei hij.
Op het plein stond nog altijd het bord. Maar iemand had er iets onder geschreven.
Klein, bijna netjes:
… en onthouden.
De burgemeester las het en zweeg.
Want in Zachtspraak had men geleerd dat woorden gevolgen hebben.
Maar nog niet wat er gebeurt als niemand ze nog durft te gebruiken.
En zo werd het stiller in de stad.
Niet omdat alles gezegd was.
Maar omdat men niet meer zeker wist wat nog gezegd kon worden zonder te verdwijnen.