De duurste keuze
In het stadje Daalzicht, waar de straten nog naar hun vroegere bedoelingen heetten en de huizen zich keurig naar elkaar schikten, stond een bordje aan de rand van de bebouwde kom. Het was een bescheiden bordje, doch met een indrukwekkende tekst: Hier begint het Voorlopig Nietsgebied.
Niemand wist precies wanneer het geplaatst was, maar men was het erover eens dat het noodzakelijk was. Want in Daalzicht hield men van noodzakelijkheid. Dat gaf rust.
Burgemeester Van Klink, een man die zijn besluiten graag in stilte nam om ze daarna plechtig te verkondigen, keek uit over het Voorlopig Nietsgebied en zuchtte. Achter hem stond de heer Telling, een nauwgezet man met een rekenboekje dat hij als een soort talisman bij zich droeg.
“Het groeit niet mee,” zei de heer Telling zacht.
“Wat groeit niet mee?” vroeg de burgemeester.
“Het aantal huizen,” zei de heer Telling. “De mensen wel.”
Aan de rand van het Nietsgebied stond ook de heer Muizekring, vertegenwoordiger van alles wat klein, stil en van belang was.
“Er is hier leven,” zei hij. “Onzichtbaar voor het ongeoefende oog, maar van grote waarde.”
“Alles is van waarde,” zei de burgemeester.
“Behalve het ontbreken van woningen,” mompelde de heer Telling.
Toen kwam de stoet. Mensen met koffers die te licht waren voor hun verleden en te zwaar voor hun toekomst.
“Waar kunnen we wonen?” vroeg iemand.
De burgemeester keek naar het Nietsgebied.
“Dat is nog niet vastgesteld.”
Er werd vergaderd. Er werd gewikt. Er werd gewogen.
“Wij willen bouwen,” zei de burgemeester.
“Wij willen behouden,” zei de heer Muizekring.
“Wij moeten rekenen,” zei de heer Telling.
Men sprak over evenwicht, over zorgvuldigheid, over tempo. Over het juiste midden, waar alles nog net kon.
En toen begon men.
Hier een huis. Daar een veld gespaard. Hier een vertraging. Daar een versnelling. Het leek verstandig. Het klonk redelijk. Het voelde als bestuur.
Maar de stoet bleef komen.
De heer Telling rekende opnieuw. Zijn potlood brak.
“Het loopt niet meer rond,” zei hij. “Wat we bouwen is minder dan wat erbij komt.”
De heer Muizekring liep door het veld dat gespaard was gebleven. Het werd kleiner, al had niemand dat besloten.
“Het kleine verdwijnt alsnog,” zei hij zacht. “Alleen langzamer.”
De burgemeester stond tussen de eerste huizen. Ze waren bewoond, maar niet voldoende. Ze waren gebouwd, maar niet genoeg.
“Dit was het midden,” zei hij.
Niemand antwoordde.
Want het midden bleek geen plek, maar een uitstel.
De stoet groeide. De ruimte kromp. De regels bleven.
Op een dag viel er niets meer te verdelen zonder iets te breken.
Toen werd zichtbaar wat men al die tijd zorgvuldig had vermeden.
Dat elke keuze een verlies was.
Dat elk behoud ergens anders verdwijning betekende.
Dat elke vertraging iemand trof die geen tijd had.
De heer Telling sloot zijn boekje.
“Dit is geen rekensom met een oplossing,” zei hij. “Alleen met gevolgen.”
De heer Muizekring keek naar de grond, waar nog altijd leven zat. Minder dan eerst. Meer dan straks.
“Beschermen is ook kiezen wat je niet beschermt,” zei hij.
De burgemeester nam zijn hoed af. Dat deed hij zelden.
“Er is geen goed compromis,” zei hij uiteindelijk. “Alleen een keuze die we hardop durven maken, en de prijs die we daarna dragen.”
Het bordje aan de rand van het gebied werd verwijderd. Niet omdat het probleem was opgelost, maar omdat het niet langer kon doen alsof het voorlopig was.
En in Daalzicht begon men eindelijk te begrijpen dat niets doen ook een besluit was geweest.
Alleen een zonder verantwoordelijkheid.
En dat bleek, achteraf, de duurste keuze van allemaal.